Een wetenschapper op kerstreces: maakt het uit of zij/hij in god gelooft of niet?

Filosoof Eveline Groot (promovendus geschiedenis van de filosofie, EUR) denkt dat de vraag of god bestaat secundair is aan de realiteit van geloofspraktijken. Daarom is het niet zo interessant om je af te vragen of god bestaat. Wel waarom mensen geloven in een god en op welke manier. Daarbij is het probleem niet of (a)theïstische mensen goede wetenschappers kunnen zijn, maar of reductionistische rationele theorievorming op zichzelf wel zo neutraal is.

Ik groeide op in een Limburgs katholiek dorpje. Vlak naast de kapel van Pater Karel, die niet zo lang geleden, in 2007, heilig is verklaard. Zodoende heb ik van jongs af aan het besef dat geloven iets heel waardevols is voor mensen. Dat het kan verbinden, zin kan geven. En op een negatieve manier natuurlijk ook kan uitsluiten. Geloven is iets anders dan weten. Het heeft geen feitelijk bewijs nodig, zoals we dat gewend zijn in bijvoorbeeld de wetenschap. Als jong meisje had ik zelf moeite om te geloven in god, maar dit betekent niet dat deze twijfel mijn interesse voor religie heeft weggenomen. Godsbewijzen lijken ondergeschikt te zijn aan geloofspraktijken. Vooral omdat je volgens mij op een logisch probleem stuit als het gaat om het bestaan, of het niet-bestaan, van god. Hoe kun je dit weten?

Wat bedoel ik met een logisch probleem? Aan de ene kant heb je mensen die beweren dat god (één of meerdere) bestaat: de theïsten. Aan de andere kant heb je atheïsten, die stellen dat god niet bestaat. Als je deze mensen naast elkaar plaatst, de theïst en de atheïst, zie je in de benaming die je hen geeft een mooie tegenstelling ontstaan. De letter ‘a-’ wordt in het oud-Grieks gebruikt om een ontkenning aan te duiden. Dit levert een logisch probleem op, want god kan niet zowel zijn als niet-zijn. Bestaan alsook niet-bestaan. Want daarover zijn beide partijen heel stellig. Aristoteles noemde dit in de 4e voor Christus het ‘beginsel van non-contradictie’. En vandaag de dag heeft dit beginsel nauwelijks aan geldingskracht ingeboet.

Aan de ene kant heb je mensen die beweren dat god (één of meerdere) bestaat: de theïsten. Aan de andere kant heb je atheïsten, die stellen dat god niet bestaat.

Wie heeft er dan gelijk? De theïst of de atheïst? Dat kun je niet bewijzen, zou ik zeggen. Vandaar dat ik een groot probleem heb met beide kampen. Want als je bewijst dat het ene waar is en het andere niet, ben je vooral bezig een vooraanname te bestendigen. Een vooronderstelling die je veronderstelt. Zo kunnen beide partijen gelijk of ongelijk hebben ­–maar natuurlijk niet tegelijkertijd. Er bestaat een grote rijkheid aan vormen van geloofsbelijdenis; prachtige rituelen, diepzinnige religieuze teksten, sociale gebruiken, beeldende kunstuitingen en zingevende ervaringen. Als je al die geloofspraktijken zou reduceren tot een vooraanname over het bestaan van god, doe je de volheid van de geloofservaringen teniet. Dan loop je het risico voorbij te gaan aan praktische structuren die ontstaan door manieren waarop religie wordt ingevuld. Daarnaast zegt men vaak dat geloof een kwestie is van het hart. Dat men een geloofssprong moet wagen om open te staan voor het goddelijke. Voor sommige mensen voelt dit als hun eigen natuur. Voor anderen is dit een vorm van overgave. Geloof en religie zijn niet alleen kwesties van het verstand. De invulling ervan kan veel vormen aannemen. Daarom is het belangrijk om voorbij onzinnige logische tegenstellingen te gaan. Want een volharding van de ene positie ofwel de andere positie, draagt niets bij aan de zin die een bepaald godsbeeld kan bieden.

Hoe is dit gekoppeld aan de wetenschap? Filosofie is voor mij per uitstek de wetenschappelijke discipline die ons leert dat zaken vaak veel complexer zijn dan we denken. Dat er verschillende perspectieven naast elkaar kunnen bestaan en dat zekerheidsgronden niet noodzakelijk zijn. Laten we dus naast logische ­–op het gevaar af reductionistische– theorievorming ook oog hebben voor de complexiteit en rijkheid van de praktijk. Voor ervaringen en gevoelens. Voor sociale structuren die door een bepaalde geloofspraktijk ontstaan.

Als het gaat om de relatie tussen wetenschap en god, denk ik dat het probleem vooral hierin schuilt: een te groot geloof in redelijke bewijzen. Zeker als het gaat om de sociale en geesteswetenschappen is het belangrijk om bepaalde ervaringen en praktijken op waarde te kunnen schatten, zonder verblind te raken door theoretische vooraannames. Ook binnen de wetenschap zelf is de geloofspraktijk rijk. Er zijn natuurwetenschappers die geloven in JAHWEH, sociale wetenschappers die geloven in astrologie en geesteswetenschappers die menen dat alles bezield is. Zo zijn er ook in elke discipline wetenschappers te vinden die deze vormen van geloof verwerpen. Het enige dat alle wetenschappers –althans diegenen die verbonden zijn aan een Nederlandse universiteit– gemeen hebben, is dat ze vrij zijn met de kerst. Of ze christelijk zijn of niet. Of ze het gaan vieren of niet. En daarmee is de ene wetenschapper niet ‘beter’ of ‘neutraler’ dan de ander.

Ik leg de vraag over het bestaan van god daarom naast me neer. De uitspraak, ‘er geloven mensen in God’, is voor mij voldoende: zeker als het gaat om de godsvraag, biedt een open blik, met oog voor praktijken en ervaringen, een veel vruchtbaardere manier om godservaringen (of afwijzingen daarvan) te analyseren.

Eveline werkt momenteel aan de Erasmus Universiteit Rotterdam aan haar proefschrift