Kippenvel een spoor van evolutie?

Hoe de mens eruit ziet verandert door evolutie. Maar wat kunnen wij daar vandaag de dag van merken? En wat betekent dit voor de toekomst? Vier vragen aan Mirte Bosse, onderzoeker aan Wageningen University & Research en de Vrije Universiteit.

Wat zien we terug van evolutie als we onszelf vergelijken met onze grootouders?

‘Helemaal niets, omdat evolutie over meerdere generaties gaat. Het basisprincipe is dat individuen met een bepaald erfelijk kenmerk, bijvoorbeeld een grote lichaamslengte of bruine ogen, in een veranderende omgeving meer nakomelingen krijgen dan individuen zonder dat kenmerk. Het biedt ze dus een bepaald voordeel. Als dit een aantal generaties lang zo doorgaat, raakt dat kenmerk in de gehele populatie meer aanwezig, en daarmee ook de erfelijke basis van dat kenmerk in het DNA. Onze grootouders leefden dan wel vijftig jaar geleden, maar er zijn sindsdien nog maar twee nieuwe generaties geweest waarin die veranderingen hebben kunnen optreden. Dat is op het gebied van evolutie erg kort.

‘In het dierenrijk zijn veranderingen door evolutie op kortere termijn soms wél waarneembaar. Sommige dieren leven korter en creëren vaker nakomelingen. Generaties wisselen daarom in kortere tijd dan bij mensen en veranderingen gebeuren daardoor ook sneller. Zo ontdekten we in DNA-onderzoek bij de koolmees dat vogels in Engeland een langere snavel hebben dan in Nederland. De verklaring hiervoor is dat men in Engeland vogels op een gigantische schaal bijvoert. Een dier met een langere snavel kan beter eten halen uit voedersilo’s en heeft daardoor meer kans op het grootbrengen van nakomelingen. Door evolutie worden die gunstige eigenschappen vervolgens doorgegeven aan nakomelingen, waardoor dit verschil in korte tijd is ontstaan.’

Welke evolutionaire sporen uit het verleden dragen we nog in ons lichaam?

‘Een mooi voorbeeld is kippenvel. Onze voorouders konden hun haren omhoog zetten om zichzelf warm te houden of om indrukwekkender te lijken. Bij kou, emotie of spanning krijgen ook wij kippenvel, maar een functie heeft dit niet nu onze haren zijn verdwenen. Een ander voorbeeld: het staartbeen. Een staart hebben we al lang niet meer, dus de oorspronkelijke functie van het staartbeen – het ondersteunen van de staart – is verloren gegaan. Toch is er nog een klein achterblijfsel aanwezig in ons lichaam in de vorm van het stuitje.

‘We zien ook sporen van ons evolutionaire verleden in ons DNA. Bij mensen uit Europa en Azië is bijvoorbeeld gemiddeld 2 tot 3 procent van de genen in het DNA afkomstig van de Neanderthaler, een mensachtige die tot ongeveer 40.000 jaar geleden tegelijk met ons in dit gebied leefde. Het idee is dat mensen gepaard hebben met de Neanderthaler. En ook bij zo’n uitwisseling van genen kan er een evolutionair voordeel ontstaan. Genen van Neanderthalers hebben waarschijnlijk bijgedragen aan het pigment in de huid en de haarkleur bij moderne mensen. Die kenmerken pasten beter bij het klimaat in Eurazië op dat moment.
Een ander voorbeeld zien we bij Tibetanen. Die hebben een gen wat maakt dat ze beter zuurstof kunnen opnemen uit de zuurstofarme lucht op de grote hoogte waarop ze leven. Ze blijken dit gen te hebben overgenomen van de Denisovamens, een mensachtige die in Siberië en op het Tibetaanse plateau leefde en dus goed tegen hoogte kon. Eigenlijk zijn die stukjes DNA afkomstig van een andere mensensoort. Je kunt ze zien als piepkleine fossielen in ons DNA.’

In hoeverre is voorspelbaar hoe evolutie zal verlopen?

‘Over het algemeen is dit lastig te zeggen. Waar het vooral op neerkomt is het voorspellen van problemen die ontstaan door veranderingen in onze omgeving. Vervolgens kunnen we bepalen welke kenmerken in die omstandigheden een voordeel geven ten opzichte van anderen om meer nakomelingen te produceren. De vraag is dus hoe onze omgeving verandert. Om te beginnen is de verwachting dat de wereldbevolking verder zal groeien. Daardoor gaan we nog dichter bij elkaar wonen, waardoor de kans op ziekten toeneemt. Die kunnen we tot op zekere hoogte bestrijden, maar ook bacteriën en virussen passen zich constant aan. Ik verwacht dat er druk zal ontstaan op ons immuunsysteem. Dit zal daardoor uitgebreider worden, waardoor het meer ziektes kan bestrijden. Daarnaast verwacht ik dat de capaciteiten om aardig en sociaal handig te zijn belangrijker gaan worden, omdat we zo dicht bij elkaar wonen.’

Gaan we door globalisering steeds meer op elkaar lijken?

Onderzoeker Mirte Bosse

‘Doordat verschillende bevolkingsgroepen steeds meer met elkaar in contact gaan raken, zal er op genetisch gebied meer uitwisseling zijn. Er zijn kenmerken die daardoor vaker zullen voorkomen, omdat sommige eigenschappen anderen ‘overstemmen’. Laten we blauwe ogen als voorbeeld nemen. Versimpeld uitgelegd krijgen alleen mensen die twee genvarianten voor blauwe ogen in hun DNA dragen ook echt blauwe ogen. Is er naast een genvariant voor blauwe ogen een variant voor bruine ogen aanwezig, dan krijgt het kind hoogstwaarschijnlijk bruine ogen, want dit is een dominant kenmerk. De genvarianten voor blauwe ogen zijn in sommige regio’s op aarde veel vaker aanwezig dan in andere landen. Maar als de verdeling evenrediger wordt, zal de blauwe kleur minder vaak voorkomen in individuen.

‘We zullen over het algemeen iets langer worden, onze huidskleur zal wat donkerder blonde haren en blauwe ogen worden zeldzamer. In koude gebieden zien we dat lichaamsbouw van mensen (en ook dieren) compacter is. Dat verschil kan wegvallen door opwarming van de aarde of omdat we onze leefomgeving steeds beter kunnen beïnvloeden waardoor we niet meer in de kou hoeven te leven. We gaan dus qua uiterlijk én genetica meer op elkaar lijken. Maar dit betekent overigens niet dat variatie verdwijnt; het wordt alleen evenrediger verdeeld over de aarde.’

Wil je meer weten? Als je enthousiast bent geworden, kun je bij Kennislink meer over dit onderwerp lezen. Of kijk naar het college van Mirte Bosse voor de Universiteit van Nederland.