Stel je voor dat we dieren kunnen begrijpen

Dieren zijn volop aanwezig in ons leven. Maar hoeveel begrijpen we eigenlijk van ze? Bij mensen is het vaak al zo lastig om elkaar goed te snappen. Wat als we het gedrag van dieren wel zouden begrijpen? Wat is daarvoor nodig en wat zou dit betekenen voor de manier waarop we met dieren omgaan?

 

Een spinnende kat? Die geniet. En een hond die schuldig kijkt? Die heeft iets stouts gedaan. Op deze manier dénken we heel veel van het gedrag van dieren te begrijpen. Maar wetenschappelijk gezien valt dat tegen, zegt Kees van Oers, bijzonder hoogleraar Animal Personality bij Wageningen University & Research en onderzoeker bij het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW). ‘We willen dieren begrijpen, maar we begrijpen slechts kleine stukjes van wat ze doen. We kunnen gedrag achteraf wel duiden, maar verschillen in gedrag bij dezelfde dieren niet.’

Honden kunnen zich niet schuldig voelen

Menselijk gedrag projecteren

Het is vaak zo dat we ons eigen gedrag projecteren op dat van een dier, zegt van Oers. ‘Komt het gedrag overeen, dan hechten wij er dezelfde waarde aan en trekken vergaande conclusies.’ Bijvoorbeeld de hond, die zijn staart tussen zijn benen legt en ‘schuldig’ kijkt. Voelt die zich ook echt schuldig? ‘Uit onderzoek blijkt dat honden dit gedrag alleen vertonen voor iets waar ze eerder voor zijn bestraft. Honden kunnen zich niet schuldig voelen, dat kunnen we aantonen.’

Of olifanten, die gaan bij het overlijden van een groepsgenoot soms rondom het dode dier staan, raken het aan en maken allerlei geluiden. ‘We noemen dat rouw, maar dat is een projectie van hoe wij dat zouden voelen. We kunnen al heel slecht inschatten hoe een mens zich voelt bij rouw, laat staan een dier. We zien die beelden en denken: “Wat erg.” Maar dat gaat vooral over onze eigen emoties.’

‘Het gedrag past bij olifanten, omdat dit zeer sociale dieren zijn en de oudere dieren in de groep nog steeds een functie hebben, door voor de kleintjes te zorgen. Wetenschappelijk gezien weten we dat dit soort gedrag een functie heeft. Maar wat die functie precies is en of die overeenkomt met de functie van menselijk rouwgedrag, weten we niet. Bij dieren is niet bekend dat ze zich bewust zijn van de dood en de gevolgen daarvan.’

Ratten en muizen begrijpen

Er is meer nodig dan alleen interpretatie: ‘Echt goed begrip van dieren vraagt dat we ze lang bestuderen, dat we weten hoe ze in elkaar zitten en wat de rol van de genen is en welke functie het gedrag heeft’, zegt Van Oers. En hoe dichterbij de mens het dier staat, hoe eenvoudiger het is om het gedrag te begrijpen: ‘Ratten en muizen lijken evolutionair dichter bij ons te staan dan bijvoorbeeld vogels, dus daar snappen we ook meer van.’ Over het algemeen is de wetenschap er nog niet zo goed in om uit te leggen wat gedrag van dieren echt betekent, zegt Van Oers.

Rechten van dieren

En wat als we wél meer zouden begrijpen van het gedrag van dieren? ‘Waarschijnlijk moeten we dan onze ideeën aanpassen over waarom dieren doen wat ze doen en welke emoties ze daarbij hebben.’ Dit is afhankelijk van wat we vinden als we meer leren over het gedrag van dieren: ‘Neem bijvoorbeeld de koe. We denken dat dit dier diepgaande emoties heeft. Dat kan te maken hebben met onze eigen interpretaties. Maar als we kunnen vaststellen dat het gedrag van de koe inderdaad meer lijkt op dat van onszelf dan we dachten, ontstaat er een ander beeld. Vervolgens is het de vraag wat je doet met deze kennis. Daar horen grote vragen over de rechten van dieren, welk gedrag we van ze verwachten en hoe we zorgen dat ze dit gedrag ook kunnen laten zien.’

De fascinatie van Van Oers voor het gedrag van dieren begon al op jonge leeftijd: ‘Ik vond het leuk om naar buiten te gaan en te zien wat er in de natuur gebeurt. Ik vroeg me daarbij steeds af waarom dieren eigenlijk doen wat ze doen. Toen kreeg ik van mijn vader een video waarin een ecoloog heel boeiend vertelde over het gedrag van de spreeuw. Daar is de basis ontstaan.’

Door klimaatverandering zien we trekvogels die de andere kant op vliegen

Ook dieren hebben persoonlijkheden

In zijn onderzoek richt Van Oers zich met collega’s op de vraag hoe dieren zich aanpassen aan een veranderende omgeving, bijvoorbeeld door verstedelijking of klimaatverandering. ‘We bestuderen gedragsveranderingen. Dat is een middel om de veranderingen in de omgeving op te vangen. Door klimaatverandering zien we bijvoorbeeld trekvogels die niet meer gaan trekken of de andere kant op vliegen. Ook onze huisdieren hebben gedrag ontwikkeld dat past bij het wonen bij mensen.’

Kees van Oers
Kees van Oers

Vaak zien mensen bij dieren een bepaalde persoonlijkheid. Het klopt volgens Van Oers dat karaktertrekken ook bij dieren te onderscheiden zijn. Het verschil uit zich in de manier waarop individuele dieren met problemen omgaan. ‘Net als mensen kunnen dieren niet overal goed in zijn, ze ontwikkelen specialismen. Ze lossen problemen dan op een kenmerkende manier op.’ Zo zijn sommige mannelijke koolmezen bijvoorbeeld heel agressief tegenover anderen in hun territorium: ‘Zo’n dier heeft waarschijnlijk een groot grondgebied met veel voedsel. Maar hun hoge testosteronniveau maakt dat ze ook óók agressief zijn tegen hun kinderen en partner. Mannetjes met minder testosteron hebben een kleiner territorium, maar zorgen beter voor hun kinderen. Ze doen het allebei goed maar wel op een andere manier.’ Uiteindelijk geldt dat een grotere variatie in persoonlijkheden of gedrag maakt dat een diersoort minder kwetsbaar is voor veranderingen in de omgeving. Dat is de context waarin gedrag bestudeerd wordt.

Nieuwsgierige koolmezen

Van Oers onderzoekt voornamelijk het gedrag van de koolmees. Opvallend is dat, net als de mens, sommige diertjes veel meer openstaan voor nieuwe ervaringen dan anderen. Zo zullen sommige individuen heel nieuwsgierig nieuwe gebieden ontdekken, terwijl andere liever vasthouden aan hun vaste gewoontes. Jaren geleden vonden Van Oers en collega’s al een bepaald gen, een stukje erfelijk materiaal (gen) dat de dieren kregen via hun ouders, dat gedeeltelijk voor dit gedrag verantwoordelijk is. Dit gen, het dopamine-gen, is ook bij mensen terug te vinden en heeft diezelfde functie, legt Van Oers uit. Bij de dieren geldt: nieuwsgierigheid kan handig zijn, maar in gevaarlijke omstandigheden is het juist beter om niet te veel van deze eigenschap te hebben.

Leren van dieren

Studies naar het gedrag van dieren en mensen hebben de laatste decennia ‘een beetje naast elkaar geleefd’, vindt Van Oers. Hij vindt de koppeling tussen mens en dier juist erg interessant: ‘Het grote voordeel van gedragsonderzoek bij dieren is dat je in experimenten veel dingen kunt veranderen, waardoor we echte verbanden kunnen aantonen.’ Dingen die bij gedragsonderzoek bij mensen onmogelijk zouden zijn. Zo werden de koolmezen uit bovenstaand onderzoek in twee verschillende lijnen gefokt. En dat levert inzichten op: ‘We kunnen als mensen op die manier veel leren van het gedrag van dieren.’