Stel je voor… dat we kunnen bewijzen dat er een god bestaat

Door wetenschappelijke ontwikkelingen weten we steeds meer over de wereld om ons heen. Maar wat zegt dit ons over het idee van een god? Wat als we wetenschappelijk kunnen bewijzen dat er een hogere macht bestaat?

 

Een heel denkbeeldig scenario is dit niet, zegt godsdienstfilosoof Jeroen de Ridder, actief aan de Vrije Universiteit Amsterdam en de Rijksuniversiteit Groningen. ‘Mensen hebben eeuwen gedacht dat ze in dit scenario leefden. In de Middeleeuwen werd het als vanzelfsprekend beschouwd dat God bestond. Er waren verschillende denkers die beweerden dat ze godsbewijs hadden.’

Wat is bewijs?

Maar hoe doe je dat eigenlijk, bewijzen dat er een god bestaat? Met die vraag is De Ridder veel bezig: ‘Bij de term bewijs denken we aan hard bewijs. Als iets bewezen is, kun je er niet aan twijfelen. In de wetenschap noemen we dat wiskundig bewijs. Dat tien plus tien twintig is, daar kun je niet omheen.’

Met dit soort keihard bewijs aantonen dat er een god bestaat of juist niet, is onmogelijk, zegt De Ridder. ‘Maar dit soort keihard bewijs vind je bijna nergens. Neem een vakgebied als de natuurkunde. Ook het bewijs voor het bestaan van het Higgs-deeltje is enorm sterk, maar wel zwakker dan wiskundig bewijs. Ook in de sociale wetenschappen of geesteswetenschappen is bewijs vaak zwakker. In de wetenschap gaat het meer om waarschijnlijkheden, de mate waarin een bepaalde uitkomst aannemelijk is.’

Juridisch bewijs zoeken

Zo zijn er ook filosofische argumenten te geven waarom het bestaan van God geloofwaardig is, zegt De Ridder. De godsdienstfilosoof spreekt over ‘juridisch bewijs’. ‘Het zijn argumenten zoals die gebruikt worden in de rechtbank, die aannemelijk maken dat iets op een bepaalde manier is gebeurd.’ Daarbij blijft wel ruimte voor twijfel: ‘Er zijn ook allerlei bezwaren en er zijn argumenten voor de conclusie dat God juist niet bestaat.’

De Ridder is zelf christelijk opgevoed en dat heeft invloed op de manier waarop je over dit soort vragen nadenkt, zegt hij: ‘Je probeert zo objectief mogelijk te zijn en blijft kritisch op jezelf, maar een filosoof met een atheïstische achtergrond zal de argumenten voor en tegen het bestaan van een god anders wegen dan ik.’ De Ridder is gefascineerd geraakt door dit soort argumenten. Dat begon in de tijd dat hij naar de universiteit ging: ‘In de kerk hoor je dingen over God en Gods daden, binnen de wetenschap hoor je daar niets over. Kunnen religie en wetenschap wel samengaan? Daarom ben ik die argumenten gaan bestuderen.’

God en het heelal
Zo is er bijvoorbeeld het kosmologisch argument. ‘Alles wat begint te bestaan heeft een oorzaak, is de aanname. De tweede aanname, die goed strookt met de oerknaltheorie, is dat het universum ooit is begonnen is te bestaan. Daar moet dus een oorzaak voor zijn en die ligt buiten tijd en ruimte, want die bestonden nog niet. Die oorzaak kan dan een god zijn. Er zijn best wel weer bezwaren te bedenken tegen dit argument, maar op het eerste gezicht lijkt het mij behoorlijk aannemelijk.’

Uit recente wetenschappelijke ontdekkingen komt het fine-tuning argument. ‘Er zijn bepaalde vaste waarden, natuurconstanten, die bepalen hoe onze natuurwetten werken. Die zorgen ervoor dat in het heelal de juiste omstandigheden zijn om leven mogelijk te maken. Daardoor konden er bijvoorbeeld planeten ontstaan. Waren die waarden echter net iets anders geweest, dan was leven onmogelijk geweest. Het lijkt erop dat het heelal is afgestemd op de mogelijkheid van leven. Dat zou erop kunnen duiden dat er een intentie achter zit.’

De argumenten maken gebruik van aannames. De Ridder geeft aan dat dit in principe geen probleem is, omdat je daar in de wetenschap niet aan ontkomt. ‘Zeker niet als je bezig bent met abstracte en theoretische vragen. Zo rekenen we er ook op dat er een wereld buiten onze geest bestaat en dat onze waarneming betrouwbaar is. Dat is aannemelijk. Je moet ergens vanuit kunnen gaan, totdat je redenen krijgt om eraan te twijfelen.’

Hoe kijk je naar god?
De wetenschap ontdekt wel meer en meer. Wat dit betekent voor hoe mensen hun geloof beleven, hangt af van wat hun godsbeeld is, zegt de Ridder. ‘Als je denkt dat God voortdurend actief ingrijpt in de wereld, dan kunnen God en de wetenschap een soort concurrenten worden. Op het moment dat we wetenschappelijke verklaringen kunnen geven voor de geboorte van een kind of van de bliksem, is God opeens overbodig. De wetenschappelijke inzichten nemen toe en daarmee neemt het aantal eerder nog onverklaarbare dingen af. Dat leidt tot de conclusie dat religie minder relevant is.’

‘Een betere manier van kijken vind ik dat het handelen van God en natuurlijke oorzaken samen kunnen gaan. Je ziet God dan als degene die weliswaar achter alles wat bestaat zit, maar die vooral via natuurlijke processen handelt. Denk aan natuurwetten, zoals de zwaartekracht. Het wetenschappelijke perspectief en het gelovige perspectief kunnen dan naast elkaar bestaan. Ook als we de geboorte van nieuw leven helemaal biologisch kunnen beschrijven, kan een gelovige blijven zeggen dat het een wonder is. God werkt niet buiten natuurlijke processen om, of in elk geval doorgaans niet.’

Op deze manier denken over een god leidt wel tot ‘het probleem van het kwaad’: ‘Als God almachtig is en volmaakt goed, hoe kan het dan dat er zoveel ellende is? Dat is één van de sterkste argumenten tegen het bestaan van een god.’

Religie draait om zingeving
Boven al deze argumenten voor en tegen het bestaan van een god staat volgens De Ridder het punt dat religie en wetenschap over verschillende dingen gaan: ‘Er is wel overlap, neem bijvoorbeeld al de feitelijke bewering dat er een god bestaat. Maar religie draait om zingeving, normen en waarden, een oriëntatie in je leven of een hoger doel. Wetenschap vertelt je hoe de wereld in elkaar zit, maar niet hoe je hoort te handelen. Naar de kerk gaan, rituelen uitvoeren of heilige teksten lezen, daar is wetenschap niet mee bezig. Wat al die dingen betreft kunnen religie en wetenschap prima samengaan.’